De snottebel die mij terugbracht naar mijn vierjarige zelf

Gepubliceerd op 27 april 2026 om 19:43

Eén bekentenis, een beetje snot en een hoop zelfinzicht

Laat ik beginnen met een bekentenis. Een bekentenis die ik eigenlijk nooit hardop had willen doen, maar die zo verdomd veelzeggend is dat ik hem niet voor me kan houden. Vorige week had ik een snottebel. Een échte. Eentje zoals je die alleen kent van kleuters op het schoolplein die net gevallen zijn maar nog niet doorhebben dat ze moeten huilen. Eentje die je ziet aankomen, maar waarbij je even te laat bent om er iets aan te doen. Eentje die je in stilte aanstaart en denkt: wat nu?

Godzijdank was ik alleen.

Nu moet je weten dat ik al drie weken rondliep met een of ander horrorvirus dat zich kennelijk heeft gespecialiseerd in mijn neusholte. Niet ziek genoeg om thuis te blijven, wel ziek genoeg om iedereen in mijn omgeving te laten denken dat ik een lopende kraan ben met benen. Zakdoekjes? Verslonden. Neusspray? Inmiddels mijn beste vriend. Maar een snottebel? Die had ik niet zien aankomen. Die hoorde niet bij het volwassen ziek-zijn-script.

Want volwassenen hebben geen snottebellen. Dat is toch een ongeschreven wet? Ergens tussen je vierde en vijfde verjaardag verlies je het recht op een snottebel. Net zoals je het recht verliest om midden in een supermarkt op de grond te gaan liggen als je iets niet krijgt. Of om zonder reden te gaan huilen omdat je broertje de verkeerde kleur beker heeft gekregen. Die fase sluit je af, en dat is maar goed ook.

Maar terwijl ik daar stond, in mijn badkamer, met die onmiskenbare belletje snot die zich aankondigde in mijn linkerneusgat, voelde ik iets vreemds. Iets wat ik al lang niet meer had gevoeld.

Ik voelde mij jeugdig.

Eventjes maar. Heel eventjes. Maar het was er.

Wat vierjarige nog wel durven

En dat bracht me op een gedachte. Want waarom verliezen wij eigenlijk al die fantastische dingen die vierjarigen hebben? Niet de snottebellen, die kunnen wij als volwassenen prima missen. Echt waar. Maar al het andere?

Een vierjarige die geen zin heeft om met jou te spelen, zegt gewoon: “Nee, want ik vind jou stom.”

Klaar. Duidelijk. Geen omwegen. Geen WhatsAppje van drie alinea’s lang met als conclusie een subtiele afwijzing die je pas na twee dagen doorhebt. Geen: “Ik zou zo graag willen maar ik heb het echt superdruk de komende weken” terwijl je thuis op de bank zit met een zak chips en Netflix. Gewoon: nee. Want ik vind jou stom. Dag.

Wij volwassenen daarentegen? Wij zitten op saaie verjaardagen van mensen die wij eigenlijk nauwelijks kennen, met een plastic bekertje wijn dat naar schoonmaakmiddel smaakt, luisterend naar het relaas van iemand die ons haarfijn uitlegt hoe zij hun badkamer hebben verbouwd. Met tegels. En welke kleur grout zij hebben gekozen. Terwijl wij knikken. Geïnteresseerd knikken. En vragen stellen. “Oh, en heb je gekozen voor epoxy voeg of gewone?” Waarom? Omdat wij geen nee kunnen zeggen. Omdat wij een uitnodiging hebben gekregen en het niet netjes vinden om te weigeren. Omdat wij volwassen zijn.

Een vierjarige was allang weg geweest.

Eten, vergaderen en andere vormen van zelfopoffering

Een vierjarige eet ook gewoon niet wat hij niet lust. Punt. Hij gooit het van zijn bord, trekt een vies gezicht en zegt: “Bah, ik lust dit niet.” En dat is het. Wij? Wij zitten bij vrienden aan tafel, krijgen iets voorgeschoteld wat wij werkelijk verschrikkelijk vinden, en eten het op. Met een glimlach. En als ze vragen: “Lekker?” zeggen we: “Heerlijk, wat is dit ook alweer?” Terwijl we in gedachten al bezig zijn met het berekenen hoeveel happen we nog moeten nemen om het niet onbeleefd te laten lijken.

Of de vergaderingen. Laten we het over vergaderingen hebben. Een vierjarige die ergens genoeg van heeft, staat gewoon op en loopt weg. “Ik ga nu spelen.” Wij zitten in een vergadering die al veertig minuten geleden zijn doel heeft bereikt, maar waarbij de voorzitter nog drie actiepunten wil bespreken die ook prima in een mailtje hadden gekund. En wij zitten daar. Knikken. Schrijven dingen op die we toch niet terugvinden. Zeggen: “Goed punt.” Terwijl onze ziel langzaam uit ons lichaam zweeft richting de koffieautomaat.

Moe zijn en er gewoon bij neervallen

Vierjarigen zeggen ook gewoon wanneer ze moe zijn. Ze vallen in slaap. Gewoon. Midden op een kinderfeestje, op de grond, tussen de ballonnen. Terwijl wij op datzelfde feestje staan, om elf uur ’s avonds, met ogen als spleetjes, en op de vraag: “Ga je al?” antwoorden: “Nee hoor, nog even!” Omdat het niet beleefd is om als eerste te vertrekken. En dan staan we om halfeen buiten in de kou te wachten op een taxi, compleet uitgeput, denkend: waarom heb ik dit mezelf aangedaan?

Een vierjarige had dat niet laten gebeuren.

En dan de kleding. Een vierjarige trekt aan wat hij wil. Liefst een prinsessenjurk in combinatie met cowboylaarzen en een cape. En weet je wat? Die vierjarige voelt zich geweldig. Die loopt met de energie van iemand die precies weet wie hij is en het niet nodig heeft dat jij dat ook vindt. Wij trekken ’s ochtends drie outfits aan, staan twijfelend voor de spiegel, vragen onze partner: “Is dit te veel?”, wisselen nog een keer van schoenen en lopen uiteindelijk toch de deur uit met het gevoel dat het niet helemaal klopt. Maar het is sociaal acceptabel. Dat telt.

Huilen, inslikken en kwijtraken

En huilen. Een vierjarige huilt gewoon als hij verdrietig is. Of boos. Of gefrustreerd. Die laat het eruit en vijf minuten later is het over. Wij slikken het in. Op het werk, in de auto, in het toilet van een restaurant. Wij bewaren het voor later. Of we bewaren het zo goed dat we niet meer weten waar we het hebben gelaten.

De snottebel had gelijk

Ik wil niet terug naar de fase van de snottebellen, laat dat duidelijk zijn. Ik ben er vrij zeker van dat ik die periode van mijn leven succesvol heb afgesloten en daar ben ik oprecht blij mee. Snot is en blijft goor. Maar misschien mogen wij als volwassenen wel wat vaker putten uit die vierjarige versie van onszelf. Die versie die gewoon zegt wat ze vindt. Die nee durft te zeggen zonder een essay van uitleg. Die weggaat als ze moe is. Die niet opeet wat ze niet lust. Die zich aankleedt zoals ze wil zonder zich af te vragen wat de buurvrouw ervan vindt.

Die snottebel in mijn badkamer was misschien niet het mooiste moment van mijn leven. Maar het was wel een moment van onverwachte, natte, klef en volledig onbedoelde eerlijkheid.

En soms is dat precies genoeg.

Herken jij je hierin? Of heb jij als volwassene toch nog iets van die vierjarige in je bewaard? Laat het me weten in de reacties. Ik lees alles. Tenzij ik moe ben. Dan ga ik gewoon slapen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.