Ik dacht dat ik sociaal was. Ik had het mis.
Ik ben niet zo sociaal als ik altijd dacht.
Nou ja. Sociaal. Dat is een groot woord. Laten we het zo zeggen: ik kán sociaal zijn. Ik heb de skills. Ik kan vragen stellen, luisteren, knikken op de juiste momenten, lachen om dingen die maar half grappig zijn, en een gesprek gaande houden over een onderwerp waar ik geen barst om geef. Ik heb jarenlang gedacht dat dit mijn persoonlijkheid was. Dat dit ik was. Anita. Sociaal. Gezellig. Altijd in voor een praatje.
Maar de waarheid is anders. En die waarheid heet: ik heb er steeds vaker gewoon geen zin in.
Niet omdat ik mensen niet aardig vind. Niet omdat ik het liefst als kluizenaar in een hut in de bossen zou leven met alleen een kat en een stapel boeken. Maar omdat ik ergens onderweg heb ontdekt dat ik mijn energie liever zelf bepaal. Dat ik echt niet altijd beschikbaar hoef te zijn. Dat "nee" ook een compleet antwoord is. En dat mijn bank, mijn Netflix en ik een heilige drie-eenheid vormen die je niet zomaar verstoort.
De bel gaat. De deur gaat niet open.
Laten we het hebben over onverwachts bezoek.
Als ik lekker op mijn bank zit, ingepakt in mijn favoriete dekentje met een serie die net op het goede moment is. Of anders wel met mijn iPad en iets waar ik al weken op had zitten wachten om eindelijk eens rustig door te spitten dan is mijn behoefte aan menselijk contact op dat moment precies nul komma nul. Dan wil ik niemand zien. Dan wil ik niemand spreken. Dan wil ik zelfs geen contact met de buitenwereld via een berichtje, maar goed, dat is een ander verhaal.
En dan gaat de bel.
Vroeger schoot ik dan overeind, controleerde even of ik een fatsoenlijk shirt aanhad en deed open. Want ja, wat anders? Dat doe je toch? De deur opendoen als er iemand aanbelt? Dat is toch gewoon normaal?
Ja. Vroeger vond ik dat normaal.
Nu denk ik; wie heeft dat eigenlijk bedacht?
Want als ik niemand verwacht, als er geen pakketje onderweg is, als ik geen enkele reden heb om te denken dat er iemand voor mijn deur staat die ik wil zien of moet zien, dan gaat mijn deur gewoon niet open. Punt. Ik blijf zitten waar ik zit. Ik druk even op pauze. Ik wacht tot de bel ophoudt. En dan ga ik gewoon verder.
Is dat gek? Misschien. Maar laat ik je ook dit vertellen: de mensen die écht iets van me willen, sturen een berichtje. Die bellen even. Die kondigen zich aan. En dan doe ik wél open. Sterker nog, dan zet ik er ook nog koffie voor.
Maar zomaar, onaangekondigd, onverwacht? Nee. Liever niet. Sorry.
De vip-lijst bestaat. En hij is klein.
Ik wil eerlijk zijn. Er zijn mensen die onaangekondigd langs mogen komen. Echt waar. Ze bestaan. Maar als ik ze optel, kom ik niet verder dan een hand. En dan tel ik ook nog voorzichtig.
Dat zijn de mensen waarbij ik de deur opengooi vóórdat ze überhaupt hebben aangebeld omdat ik ze al zag aankomen. De mensen waarbij ik geen andere kleren hoef aan te trekken en ook niet snel even de keuken in loop om te doen alsof ik bezig was met iets productief. De mensen waarbij ik gewoon ben wie ik ben, op het moment dat ik ben wie ik ben. Met slechte haren, verwassen joggingbroek en al.
Maar dat zijn er dus echt niet zo veel.
En ik ben daar inmiddels vrede mee. Want liever vijf mensen waarbij ik mezelf kan zijn dan vijfentwintig mensen voor wie ik een versie van mezelf speel die ik eigenlijk helemaal niet ben.
Kwaliteit boven kwantiteit. Oma had gelijk. Altijd.
De conversatie die maar één kant op gaat
En dan is er nog iets anders. Iets wat misschien nog wel meer energie kost dan onverwachts bezoek.
De gesprekken waarbij jij de enige bent die vragen stelt.
Ik dacht lang dat ik echt geïnteresseerd was in mensen. En dat ben ik ook, hoor. Soms. Maar ik kom er steeds meer achter dat mijn interesse een houdbaarheidsperiode heeft. En die houdbaarheidsperiode eindigt op het moment dat ik merk dat het een eenrichtingsverkeer is.
Want ik stel vragen. Dat doe ik echt. Ik wil weten hoe het met je gaat, wat je bezighoudt, hoe dat project afliep, of je moeder inmiddels beter is, of je die vakantie al geboekt hebt. Ik luister. Ik reageer. Ik volg op. Ik ben een prima gesprekspartner als ik het zelf mag zeggen.
Maar als er na tien minuten nog geen enkele vraag terug is gekomen, als ik merk dat mijn verhalen als achtergrondmuziek worden gebruikt terwijl jij al nadenkt over je volgende onderwerp, als ik iets moet herhalen omdat je gewoon niet geluisterd hebt? Dan klapt er een klein luikje in mijn hoofd dicht.
Klik.
Dan ben ik er nog wel. Lichamelijk. Maar de échte Anita? Die is vertrokken.
Drie keer herhalen is twee keer te veel
Het herhalen is trouwens mijn absolute favoriete ergernis. Ik vertel iets. Jij reageert op iets wat ik niet gezegd heb. Ik corrigeer vriendelijk. Jij vraagt iets wat ik net heb uitgelegd. Ik herhaal het. Jij knikt. En dan, vijf minuten later, vraag je het opnieuw. Sommige maken het dus echt zo bont om dat in één gesprek voor elkaar te krijgen. Andere hebben het geheugen van Dory uit Nemo en weten de volgende keer dat je ze ziet niet eens meer dat je vorige week een gesprek gevoerd hebt waarin jij dacht een goed gesprek te hebben gehad. Omdat jij nog wel weet dat het even lastig was op de ander zijn werk en je van plan was er naar te vragen... Maar de ander heeft jouw verhaal zo te horen niet opgeslagen omdat ze je vragen hoe het is afgelopen met verbouwing terwijl je vorige week had verteld dat je deze had uitgesteld vanwege de situatie met je moeder.
Op dat punt ben ik klaar.
Niet boos. Niet beledigd. Gewoon klaar. Ik sla intern op, sluit het venster, en de volgende keer dat je vraagt hoe het met me is, zeg ik: "Goed, hoor!" En dat is het. Geen verhalen meer. Want je luistert toch niet.
En dat klinkt misschien streng. Of kil. Maar ik noem het zelfbehoud.
Het sociale evenement dat ik toch niet bijwoon
Vroeger ging ik overal naartoe. Verjaardagen van mensen die ik nauwelijks kende. Vrijdagmiddagborrels waarbij ik al om vier uur wist dat ik het niet zag zitten maar toch ging omdat het niet beleefd was om nee te zeggen. Buurtactiviteiten waarbij ik stond te knikken over de staat van de stoepstenen terwijl ik van binnen zat te smachten naar mijn eigen bank.
Nu zeg ik gewoon nee.
Niet met een excuus. Niet met een smoesje over een andere afspraak die toevallig die avond is. Gewoon: "Nee, ik kom niet." Of hooguit: "Ik heb er geen zin in." En weet je wat ik ontdekt heb? De meeste mensen vinden het prima. En degenen die het niet prima vinden, bewijzen daarmee precies waarom ik er geen zin in had.
Het is een soort filter, eigenlijk. Handig.
Ik ben dus toch een beetje een kluizenaar. En dat is oké.
Ik ben er uiteindelijk achter gekomen dat ik een introvert ben die heel lang heeft gedacht dat ze een extravert was. Of misschien ben ik gewoon iemand die op haar eigen voorwaarden sociaal is. Op de momenten die ik kies. Met de mensen die ik kies. Op de tijden die ik kies.
En dat de rest gewoon buiten de deur mag blijven. Letterlijk soms.
Mijn bank oordeelt me niet. Mijn Netflix vraagt niet hoe het gaat en wacht dan niet op een antwoord. Nou ja... Soms vraagt Netflix of ik nog wel kijk? Mijn iPad onderbreekt me niet om een verhaal te vertellen over haar badkamertegels. En mijn dekentje stelt nooit vragen.
Dat is vriendschap. Dat is gezelschap. Dat is alles wat ik op een doordeweekse avond nodig heb.
Dus als je onaangekondigd voor mijn deur staat en de bel gaat: misschien ben ik er niet. Misschien ben ik er wel. Maar ik doe toch niet open.
Stuur gewoon even een berichtje. Dat werkt echt beter voor ons allebei.
Herken jij dit? Of ben jij juist iemand die altijd maar gewoon aanbelt? Laat het me weten in de reacties. Ik lees ze. Tenzij ik op de bank zit. Dan lees ik ze later.
Reactie plaatsen
Reacties