Laten we eerlijk zijn. Er zijn dingen in het leven waar ik heel goed in ben. Ik heb smaak. Ik heb humor. Ik ben bescheiden. En wiskunde. Wiskunde vind ik ook echt geweldig. Al zeg ik het zelf maar even hardop want niemand anders doet het.
De stelling van Pythagoras? Stuk taart. Hellingshoeken? Geef maar hier. Oppervlakte en inhoud berekenen? Ik doe het in mijn slaap. Misschien ook letterlijk want ik heb het de afgelopen weken zo vaak uitgelegd dat mijn dromen inmiddels bestaan uit rechthoekige driehoeken en formules met kwadraten.
Het probleem is niet de wiskunde. Het probleem is dat ik een dochter heb die examen wiskunde moet doen.
De erfenis
Mijn dochter van 15 die al mijn beste eigenschappen heeft geërfd. En met beste eigenschappen bedoel ik: ze is grappig. Ze is sociaal. Ze is lief. Ze heeft mijn ogen en waarschijnlijk ook mijn manier van te hard lachen op het verkeerde moment. Ze is slim op de manier die ertoe doet: ze leest mensen feilloos en weet altijd precies wat ze moet zeggen.
De wiskundeknobbel heeft ze echter niet van mij meegekregen. Dat had ze trouwens ook kunnen erven. Die zit er namelijk wel degelijk in. Maar ze koos kennelijk voor schoonheid en karakter en dat bewonderenswaardige vermogen om in elke situatie de leukste persoon in de kamer te zijn. Prachtig. Echt prachtig. Maar op je wiskunde-examen heb je daar nou net niet zo heel veel aan.
En dat examen. Dat begint deze week.
Hoe het begint: met wiskunde uiteraard
Want we beginnen natuurlijk meteen lekker. Niet met een makkelijk vak om even warm te draaien. Niet met iets waarbij je de vragen gewoon rustig kunt lezen en een beetje kunt nadenken. Nee. We beginnen met wiskunde. Want als je toch al stress hebt kun je dat net zo goed meteen maximaal opstoken.
De afgelopen weken hebben wij thuis dus samen geoefend. En met samen bedoel ik: ik met een pen en een blaadje en een hoeveelheid enthousiasme die inverselijk evenredig was aan haar interesse. Ik legde uit. Ik tekende. Ik maakte grafieken. Ik gebruikte ezelsbruggetjes. Ik deed het drie keer opnieuw op drie verschillende manieren.
Ze keek naar me met die blik die pubers hebben. Die blik van: ik luister wel maar ik snap nog steeds niet waarom dit relevant is voor mijn leven.
Eerlijk gezegd had ze daar een punt. Want wanneer gebruik jij als volwassen mens nou echt de stelling van Pythagoras? Ik gebruik hem nooit. Maar dat zeg ik niet hardop want dan heeft ze gewonnen en dat kan niet.
Vreemde ogen dwingen
En toen kwamen we op het briljante idee dat vreemde ogen dwingen. Want mijn uitleg is fantastisch en mijn geduld is bewonderenswaardig maar ik ben ook gewoon haar moeder. En als moeder uitleggen hoe wiskunde werkt is een beetje als een tandarts zijn bij je eigen kinderen. Je bent er misschien perfect voor maar de sfeer werkt gewoon niet mee.
Dus er is nu een wiskundedocent over de vloer. Een vriendin van mijn beste vriendin. En ik moet zeggen: de vrouw heeft heilig geduld. Het soort geduld waar ik naar kijk met een mengeling van bewondering en een licht schuldgevoel omdat ik zelf dat geduld na de vijfde uitleg van dezelfde som soms een beetje kwijt raak.
Ze zit al twee dagen aan de keukentafel met mijn dochter. Met formules en grafieken en oefentoetsen en meer formules. En elke keer als ik voorzichtig mijn hoofd om de deur steek zie ik mijn dochter serieus zitten werken. Pen in hand. Boek open. Af en toe fronsend maar wel bezig.
Mijn hart springt er eerlijk gezegd een beetje van op.
Wat een puber doet als ze echt haar best doet
Kijk. Ik ken mijn dochter. Ik weet wanneer ze iets gewoon aanrommelt en wanneer ze echt gaat. En dit is echt gaan. Ze staat op tijd op. Ze gaat aan tafel zitten. Ze stelt vragen en herhaalt de uitleg en probeert het zelf en vraagt het nog een keer en probeert het opnieuw.
Voor wiskunde.
Voor het vak waar ze van nature niet vrolijk van wordt. Waar ze geen liefdevolle relatie mee heeft opgebouwd in de afgelopen jaren. Waar ze elke keer opnieuw tegenaan loopt als tegen een muur die nét iets te hoog is.
En toch gaat ze er elke dag weer tegenaan.
Ik vind dat stoer. Echt stoer. Niet het soort stoer van dingen die je makkelijk afgaan maar het soort stoer van dingen die je moeilijk afgaan en je het tóch blijft proberen. Dat is het echte werk. Dat is de knobbel die ik haar wél heb meegegeven. De doorzetter-knobbel. De dan-doe-ik-het-toch-knobbel. Die zit er namelijk wel in en die werkt naar behoren.
Over examenstress en hoe dat eruitziet van dichtbij
Examenstress is een raar beest. Het slaat niet iedereen op dezelfde manier. Sommige mensen worden stil. Anderen worden druk. Mijn dochter wordt vooral heel erg gefocust en een beetje korter van stof dan normaal, af en toe een beetje geïrriteerd en soms ook boos. Ze loopt door het huis alsof ze een interne berekening aan het maken is. Ze eet wel maar pikt er tussendoor stukjes chocolade van het aanrecht. Ze slaapt maar heeft ’s ochtends nog wallen alsof ze drie nachten heeft doorgehaald.
Ze is vijftien. Ze doet examen. Dit is heel normaal.
Maar als moeder kijk je daar anders naar. Als moeder zie je je kind spanning meedragen en wil je het oplossen. Je wil zeggen: het komt goed. Je wil zeggen: een cijfer is maar een cijfer. Je wil zeggen: jij bent zoveel meer dan wat er op dat examenblaadje staat.
Maar je zegt het niet te vaak want pubers prikken door sentimentaliteit heen als een naald door zeepbellen en dan werkt het averechts. Dus je zegt het één keer en op het goede moment en daarna maak je gewoon warm eten en zorg je dat er genoeg chocolade op het aanrecht ligt.
De avond voor het examen
Er zal een moment komen vanavond of morgenochtend vroeg waarop ik haar zal aankijken en iets zal voelen wat ik alleen maar kan omschrijven als: trots die nergens op slaat maar er toch is. Trots omdat ze het probeert. Trots omdat ze twee dagen lang aan de keukentafel heeft gezeten voor een vak dat haar niet op het lijf is geschreven. Trots omdat ze de stelling van Pythagoras nu écht kan uitleggen en dat is voor haar een prestatie van formaat.
Is ze nu plotseling een wiskundegenie geworden? Nee. Gaat ze een tien halen? Waarschijnlijk niet. Maar gaat ze dat examen in lopen met voorbereiding en een poging en de wetenschap dat ze haar best heeft gedaan?
Ja. Absoluut ja.
En dat is meer waard dan een tien die je hebt gehaald zonder ook maar één keer te zweten.
Wat ik haar meegeef
Niet de stelling van Pythagoras. Die heeft ze zelf geleerd de afgelopen twee dagen. Dat verdient alle credits en die gaan naar haar en naar de geduldige wiskundedocente die ik nu officieel heilig verklaar.
Maar wat ik haar meegeef is dit: je bent grappig en slim en lief en sociaal en je leest mensen beter dan de meeste volwassenen die ik ken. Je weet wanneer je iemand moet knuffelen en wanneer je je mond moet houden en wanneer je moet lachen. Je hebt een kamer vol mensen aan het lachen gehad op momenten dat ik dacht dat dat onmogelijk was.
Geen enkel examen meet dat.
En als de wiskunde tegenzit? Dan zit de wiskunde tegen. Dan haal je een voldoende of een bijna-voldoende en dan ga je door. Want zo werkt het leven. Je erft niet altijd de knobbels die je nodig hebt. Soms erf je de verkeerde dingen van je moeder en moet je de rest zelf zien te rooien.
Maar mijn schoonheid en mijn karakter heb je in elk geval meegekregen.
En eerlijk gezegd is dat al heel wat.
Succes lieverd. Je doet het geweldig. En ik sta hier met chocolade en een onredelijke hoeveelheid moedertrots te wachten tot je thuis bent.
Doet jouw kind ook examen dit jaar? Of heb jij ook zo’n vak gehad waar je tegenop zag als een berg? Laat het me weten in de reacties. Ik lees alles en ik oordeel niet. Tenzij het over hellingshoeken gaat. Dan oordeel ik misschien een beetje.
Reactie plaatsen
Reacties