Hij is 14. Hij doet examen. En ik ben gewoon zijn moeder die er een beetje bij staat.
Twee weken geleden schreef ik over mijn dochter van 15 die deze week haar wiskunde-examen doet. Over Pythagoras en hellingshoeken en een wiskundedocente met engelengeduld aan mijn keukentafel. Over examenstress en chocolade op het aanrecht en moedertrots die nergens op slaat maar er toch is.
Ik dacht dat dat het was voor dit jaar. Eén kind in de examenstress. Eén kind dat oefent en zwoegt en focust. Eén kind dat ik met warme maaltijden en strategisch geplaatste snacks door de eindstreep sleep.
Maar nee.
Want ik heb ook een zoon.
Versneld en wel
Mijn zoon zit in het derde leerjaar. Hij is 14. En hij doet ook examen.
Laat dat even bezinken.
Derde leerjaar. Examen. Die twee woorden passen voor mijn gevoel niet in dezelfde zin maar ze staan er toch echt allebei. Want hij mag dit jaar versneld Engels examen doen. Omdat hij er goed genoeg voor is. Omdat zijn school hem die kans biedt. Omdat hij volgend jaar daardoor één examen minder heeft en dat scheelt een hoop stress op een moment dat de stapel toch al hoog genoeg is.
Slim systeem als je er even over nadenkt. Eén examen vooruit doen als je er klaar voor bent zodat je het later niet meer hoeft te doen. Net als boodschappen doen als de koelkast nog niet helemaal leeg is in plaats van wachten tot je op de bodem staat te schrapen. Efficiënt. Vooruitziend. Volwassen bijna.
Toevallig hetzelfde examen
Nu wordt het pas echt leuk. Want zijn zus van 15 doet ook Engels examen dit jaar. Wat betekent dat ze in theorie samen kunnen leren. Twee kinderen. Één vak. Eén tafel. Zou je denken.
Het gaat om tekstbegrip. Engelse teksten lezen en begrijpen en de vragen beantwoorden. En hier begint de redenatie die ik inmiddels uit mijn hoofd ken omdat ik hem al meerdere keren heb gehoord. Van allebei. Onafhankelijk van elkaar maar met opvallend veel overeenkomsten.
De redenatie luidt als volgt.
Je weet toch niet welke tekst je krijgt. Dus waarvoor oefen je precies? Je kunt van tevoren niet weten wat erin staat. Je kunt de tekst niet uit je hoofd leren want die bestaat nog niet voor jou. Oefenen is dus eigenlijk een beetje zinloos want elke tekst is anders en je leest hem gewoon ter plekke en dan beantwoord je de vragen.
Logisch toch.
De ijzersterke puberlogica
Ik moet eerlijk zijn. Er zit een kern van waarheid in. Je weet inderdaad niet welke tekst je krijgt. En als je al goed Engels spreekt en leest en begrijpt dan is tekstbegrip geen vak waarvoor je urenlang aan de keukentafel hoeft te zweten.
Maar.
En dit is een belangrijke maar.
Er is een verschil tussen tekstbegrip snappen en weten hoe een examen werkt. Er is een verschil tussen een tekst lezen en de examenvragen op de juiste manier beantwoorden. Er zijn trucjes. Er zijn valkuilen. Er is een manier waarop die vragen gesteld worden die je herkent als je ze vaker hebt gezien en die je compleet verrast als je ze voor het eerst tegenkomt op een officieel examenblad.
Maar dit uitleggen aan twee pubers die dezelfde onwrikbare overtuiging hebben is een beetje als proberen water bergopwaarts te laten stromen. Het stroomt gewoon niet. Het blijft staan. Het kijkt je aan met een blik van: wij hebben dit al besloten.
Een zeldzaam moment van broer-zus-eenheid
Wat me overigens wel amuseert is dat ze het over dit onderwerp volledig eens zijn. Want dat is niet altijd het geval. Broer en zus van 14 en 15 zijn het over veel dingen niet eens. Over welke serie er op televisie komt. Over wie er eerder de badkamer in mag. Over wie de laatste koek heeft opgegeten terwijl die duidelijk voor iemand anders was.
Maar over het feit dat oefenen voor tekstbegrip Engels weinig zin heeft zijn ze één front. Eensgezind. Verenigd in hun overtuiging. Ze hadden er bijna een PowerPoint over kunnen maken.
Ik vond het ergens ook wel vertederend. Ze leren voor hetzelfde examen. Ze zitten aan dezelfde tafel. Ze hebben dezelfde mening over de voorbereiding. Een zeldzaam moment van broer-zus-synergie dat ik even heb laten bestaan zonder er tegenin te gaan.
Even dan.
Wat ik er toch over zeg
Want ik ben wel hun moeder. En moeders laten zulke dingen niet volledig onbecommentarieerd passeren want dan doen we ons werk niet goed.
Dus ik heb gezegd: jullie hebben allebei gelijk dat je de tekst niet van tevoren kent. En jullie hebben ook allebei gelijk dat jullie Engels goed genoeg is om een tekst te lezen en te begrijpen. Maar oefenen is niet hetzelfde als de tekst uit je hoofd leren. Oefenen is wennen aan de vorm. Aan de manier van vragen stellen. Aan het werken onder tijdsdruk. Aan het verschil tussen wat jij denkt dat het antwoord is en wat de examinator als antwoord wil zien.
Ze hebben geknikt. Allebei. Op die manier waarop pubers knikken als ze luisteren maar niet per se van plan zijn iets met de informatie te doen.
Ik ken die knik. Ik heb hem zelf ook gehad vroeger. Mijn moeder herkende hem waarschijnlijk ook.
Tweetalig onderwijs als stille troefkaart
Wat mijn zoon wel heeft en wat hem een echte voorsprong geeft is die twee jaar tweetalig onderwijs. En dat is geen kleine voorsprong. Tweetalig onderwijs is niet een uurtje extra Engels per week. Het is geschiedenis in het Engels. Biologie in het Engels. Gewoon denken en redeneren en schrijven in een andere taal terwijl je een Nederlandse puber bent die thuis gewoon Nederlands praat en brood eet en klaagt over het weer.
Dat slijt. Dat zet zich vast. Dat wordt een tweede natuur.
Hij spreekt het met een gemak dat me elke keer weer verbaast. Hij kijkt series zonder ondertitels. Hij speelt spelletjes online in het Engels met mensen van over de hele wereld en hij doet dat alsof het zijn moedertaal is. Hij leest het. Hij schrijft het. Hij ademt het bijna.
Zijn zus heeft dat ook maar heeft die specifieke tweetalige training niet gehad. En toch zitten ze aan dezelfde tafel voor hetzelfde examen. Dat zegt ook wel wat over haar niveau.
Een huis vol examens en één moeder
Dus hier staan we dan. Twee kinderen. Examens.
En ik daartussenin. Met thee. En chocolade. En de wijsheid om te weten wanneer ik moet doordrukken en wanneer ik het los moet laten.
Dit laat ik een beetje los.
Want eerlijk gezegd denk ik dat ze het allebei gewoon gaan redden. Niet omdat oefenen overbodig is maar omdat ze allebei de basis hebben. De taal zit erin. Het begrip zit erin. En een gezonde dosis zelfvertrouwen doet bij een examen ook geen kwaad.
Zolang dat zelfvertrouwen maar niet verwisseld wordt met achterover leunen. Maar dat zeg ik alleen hier. Tegen jullie. Niet tegen hen.
Hebben jouw kinderen ook zo’n ijzersterke redenatie over leren die je eigenlijk niet helemaal kunt weerleggen? Laat het me weten in de reacties. Ik lees alles en ik oordeel niet. Tenzij het over tekstbegrip gaat. Dan weet ik het ook eigenlijk niet meer.
Reactie plaatsen
Reacties